Er zijn mensen die instorten of dichtklappen bij iets zo gewoons als een verwachting, een verzoek, soms zelfs een advies. Niet uit onwil. Hun systeem reageert op het verlies van autonomie zelf. Dit patroon kreeg een naam, PDA, Pathological Demand Avoidance, en wordt inmiddels gezien als mogelijk profiel bij uiteenlopende achtergronden: autisme, ADHD, hoogbegaafdheid, trauma. Onderzoek naar PDA staat nog duidelijk in de kinderschoenen, maar er zijn inmiddels ook studies die aanleiding geven om het fenomeen breder te bekijken dan alleen vanuit autisme.

Een opdracht, verwachting of zelfs een goedbedoeld advies kan iets oproepen wat veel sterker is dan: daar heb ik geen zin in. Er ontstaat irritatie, spanning, verzet of soms zelfs een volledige blokkade. Ik noem dat liever autonomiesensitiviteit.

Als iets ineens niet meer van jezelf voelt

Het bijzondere is dat dit ook kan gebeuren bij iets wat je eigenlijk wél wilde doen. Je denkt bijvoorbeeld zelf: dat is eigenlijk een goed idee. Vervolgens zegt iemand: je moet echt eens dit gaan doen. En ineens wil je niet meer.

Niet omdat het idee veranderd is, maar omdat er iets veranderd is in het eigenaarschap ervan. Wat eerst voelde als mijn idee, mijn keuze en mijn beweging, voelt ineens alsof iemand anders zich ermee bemoeit.

Psychologisch doet dit denken aan reactance: de menselijke neiging om onze vrijheid te herstellen wanneer we het gevoel krijgen dat die wordt ingeperkt. Reactance is op zichzelf volkomen normaal, mensen verschillen alleen behoorlijk in hoe snel en hoe sterk dit systeem wordt geactiveerd. En precies dat vind ik interessant.

Van PDA naar autonomiesensitiviteit

PDA is geen officiële DSM- of ICD-diagnose en er bestaat nog veel discussie over wat het precies is, hoe het zich verhoudt tot autisme en andere vormen van neurodivergentie, en welke mechanismen eronder liggen. Het onderzoek is bovendien nog beperkt.

Toch vind ik dat het PDA-concept iets belangrijks heeft toegevoegd. Gedrag dat van buitenaf gemakkelijk kan worden gezien als koppigheid, oppositioneel gedrag of onwil, wordt er anders door bekeken. Mensen kunnen opdrachten vermijden terwijl ze de activiteit zelf eigenlijk wél willen. Er kunnen sterke spanning en paniek ontstaan wanneer een eis onvermijdelijk voelt. Zelfs interne eisen, zoals jezelf dwingen om iets te doen, eten, slapen of naar het toilet gaan, kunnen als demand gaan functioneren.

Dat is een wezenlijke verschuiving: niet waarom werk je nou gewoon niet mee, maar wat gebeurt er waardoor deze vraag zoveel druk oproept?

Interessant is bovendien dat niet al het onderzoek netjes past bij het idee dat PDA vooral vanuit autisme verklaard moet worden. In een studie van Egan, Bull en Trundle uit 2020 onder volwassenen bleken PDA-kenmerken sterk samen te hangen met ADHD-kenmerken (r = .71). De samenhang met autistische kenmerken was veel kleiner. In een regressiemodel verklaarden aandachtstekort, antagonisme en lagere emotionele stabiliteit samen 65 procent van de verschillen in PDA-scores, terwijl autistische kenmerken daar geen significante extra bijdrage aan leverden. De onderzoekers concludeerden dan ook dat in hun volwassen community-steekproef ADHD en bepaalde persoonlijkheidskenmerken betere voorspellers van PDA waren dan autistische kenmerken.

Dat bewijst natuurlijk nog niet hoe PDA precies in elkaar zit, maar ik vind het wel een belangrijke aanwijzing. Het maakt het minder vanzelfsprekend om demand avoidance uitsluitend als onderdeel van autisme te zien.

Tegelijkertijd heb ik moeite met het woord pathological. Het legt het probleem bijna volledig in de persoon, terwijl de omgeving enorm kan bepalen of dezelfde eigenschap überhaupt een probleem wordt. Daarom spreken sommige mensen liever over Persistent Drive for Autonomy. Ook dat vind ik al een veel vriendelijker perspectief. Maar zelf kom ik steeds meer uit bij een ander begrip: autonomiesensitiviteit.

Kort: PDA, reactance en autonomiesensitiviteit

Reactance is de menselijke tegenreactie wanneer keuzevrijheid bedreigd voelt.

Demand avoidance is het vermijden, uitstellen of niet meer kunnen uitvoeren van iets dat als eis wordt ervaren.

PDA is een omstreden profiel waarin zulke reacties zeer sterk en breed aanwezig zijn.

Autonomiesensitiviteit gaat een stap terug: hoe gevoelig is iemand überhaupt voor signalen van controle, dwang en verlies van regie?

Autonomy Sensitivity Theory

In 2026 stelde Meghan Maynard de Autonomy Sensitivity Theory (AST) voor. Het gaat vooralsnog om een theoretische preprint, dus niet om een uitgekristalliseerde of breed empirisch bevestigde theorie, maar ik vind de gedachte erachter bijzonder interessant.

AST stelt voor om demand avoidance te zien als het uiteinde van een algemeen menselijk systeem. We hebben allemaal behoefte aan autonomie en reageren allemaal in enige mate wanneer onze handelingsvrijheid wordt bedreigd. Alleen verschilt de drempel waarop iets als autonomiebedreiging wordt geregistreerd van persoon tot persoon.

Bij een hoge autonomiesensitiviteit kan bovendien steeds meer als een demand gaan voelen: niet alleen een letterlijk bevel, maar ook verwachtingen, vragen, sociale verplichtingen, afspraken of eisen die je jezelf oplegt. AST noemt dit een expanded demand register.

Dat vind ik een veel vruchtbaarder uitgangspunt, want daarmee hoef je niet eerst te bepalen of iemand wel of niet “PDA heeft”. Je kunt veel interessantere vragen stellen: waar is iemand autonomiesensitief voor? Wanneer wordt die gevoeligheid sterker? Welke vormen van communicatie laten de autonomie intact? En wanneer verandert een gewone vraag in een bedreiging?

Niet overal even sterk

Autonomiesensitiviteit hoeft wat mij betreft ook helemaal niet in ieder levensgebied hetzelfde te zijn. Iemand kan op zijn werk werkelijk niet tegen micromanagement en iedere gebiedende formulering onmiddellijk als verstikkend ervaren, maar het in een relatie juist heerlijk vinden wanneer een partner veel zorg overneemt. Een ander wil misschien absoluut zelf bepalen hoe hij zijn werk uitvoert, maar vindt het prettig wanneer iemand anders een vakantie organiseert. Dat is niet tegenstrijdig.

Het gaat niet alleen om hoeveel invloed een ander objectief heeft, maar om hoe die invloed ervaren wordt. Je kunt je vrijwillig laten verzorgen, vrijwillig iemand anders de leiding geven, zelfs vrijwillig besluiten een heel strikt regime te volgen. Zolang het gevoel blijft: ik kies hiervoor. Dat is iets anders dan het gevoel: jij hebt besloten dat ik dit moet doen.

En je toestand doet ertoe

Daar komt voor mij nog iets belangrijks bij: autonomiesensitiviteit is waarschijnlijk niet alleen een eigenschap van een persoon. De staat waarin iemand verkeert doet er ook toe.

Als ik me stevig voel, genoeg energie heb en het gevoel heb dat mijn leven van mij is, kan iemand best iets onhandig formuleren. Dan denk ik misschien: bemoei je ermee, en vijf minuten later ben ik het vergeten. Wanneer ik mezelf daarentegen als kwetsbaar of weinig belastbaar ervaar, kan precies dezelfde opmerking veel harder binnenkomen. Dan is een vraag niet alleen wil je dit doen?, maar voelt hij eerder als: hier komt nóg iets wat beslag op mij legt.

Daarmee komen voor mij twee dingen bij elkaar: autonomie en draagkracht. Hoe minder draagkracht ik ervaar, hoe kostbaarder mijn resterende bewegingsruimte wordt, en hoe sneller een inbreuk daarop als bedreigend kan voelen.

Dat betekent niet dat alle autonomiesensitiviteit eigenlijk over overbelasting gaat. Soms is het werkelijk de autonomie zelf. Iemand kan iets prima kunnen en het zelfs willen, maar toch blokkeren zodra het op een dwingende manier wordt opgelegd. Maar belasting kan de gevoeligheid wel enorm versterken.

Juist dat vind ik sterk aan Autonomy Sensitivity Theory: het laat ruimte voor het idee dat dezelfde persoon onder verschillende omstandigheden een heel andere drempel voor autonomiebedreiging kan hebben. Maynard beschrijft PDA-achtige reacties dan ook niet uitsluitend als een vast tekort, maar laat expliciet ruimte voor sterke demand avoidance als uiting van een zenuwstelsel dat onder druk of in distress verkeert.

Wanneer zorg niet als zorg voelt

Dit speelt ook in relaties. Mensen drukken liefde vaak uit door te helpen. Ze geven advies, denken mee, herinneren je ergens aan, proberen een probleem voor je op te lossen. Allemaal goed bedoeld.

Maar bij sterke autonomiesensitiviteit kan precies die liefde verkeerd landen. Je zou eigenlijk eens… Wat jij moet doen is… Denk je er wel aan dat… De ander bedoelt: ik geef om je. Maar mijn zenuwstelsel hoort: ik bemoei me met jouw leven. En dat kan behoorlijk botsen.

Juist daarom kan voor iemand met een sterke autonomiesensitiviteit ruimte geven een vorm van liefde zijn. Niet iemand in de steek laten, niet ongeïnteresseerd zijn, wel naast iemand blijven staan zonder onmiddellijk het stuur over te nemen. Wil je dat ik alleen luister, of wil je dat ik meedenk? kan dan totaal anders landen dan: ik weet wel wat jij moet doen. De inhoud van het advies kan uiteindelijk precies hetzelfde zijn. Het verschil zit in wie de regie houdt.

Waarom ik dit interessant vind bij scheve begaafdheid

Ik vermoed dat dit ook interessant is in relatie tot hoogbegaafdheid en scheve begaafdheid. Niet omdat autonomiesensitiviteit bewezen een kenmerk van hoogbegaafdheid is, daarvoor is veel meer onderzoek nodig. Maar juist binnen scheve profielen zie je soms een interessante combinatie: iemand kan zeer sterk zelfstandig denken, snel zien hoe iets anders kan, weinig ontzag hebben voor “zo doen we het nu eenmaal”, en tegelijk op andere gebieden een beperkte draagkracht hebben.

Dan ontstaat een bijzondere combinatie: een sterke behoefte om zelf richting te bepalen, met niet altijd evenveel energie om voortdurend tegen slecht passende structuren op te boksen.

Diezelfde eigenzinnigheid kan iemand enorm ver brengen. Vernieuwen, dingen ter discussie stellen die anderen vanzelfsprekend vinden, een eigen pad creëren waar eerst helemaal geen pad was. Dat moeten we niet te snel wegbehandelen. De wereld heeft ook mensen nodig die niet automatisch gehoorzamen.

Maar wanneer je zenuwstelsel voortdurend bezig is autonomie te verdedigen, kan diezelfde eigenschap uitputtend worden. Dan wordt de vraag niet hoe we iemand “meer compliant” krijgen. De interessantere vraag is: hoe creëren we genoeg autonomie zodat iemand zijn energie kan gebruiken om te leven, werken, denken en creëren, in plaats van die voortdurend nodig te hebben om zijn eigen ruimte te verdedigen?

Daar zit ook een paradox in. Zolang ik bewust mijn eigen koers kies, is autonomie een kracht. Maar wanneer mijn zenuwstelsel automatisch in verzet schiet zodra iets als demand wordt ervaren, wordt mijn bewegingsruimte juist kleiner. Dan ben ik niet helemaal vrij meer, want ook mijn verzet wordt beïnvloed door wat een ander van mij vraagt. Werkelijke autonomie betekent uiteindelijk óók dat ik iets kan doen wat een ander toevallig van mij vraagt, wanneer ik zelf besluit dat ik dat wil.

Autonomie is daarin geen luxe. Voor sommige mensen is het een belangrijke voorwaarde om überhaupt goed te kunnen functioneren.


Verder lezen?

Hi, I’m Nicole

2 Comments

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *