Hoogopgeleid en laagopgeleid: waarom deze termen de plank volledig misslaan

Het is een hardnekkig taalkundig misverstand in onze maatschappij: het indelen van onderwijs en werk in hoogopgeleid en laagopgeleid. Maar hoog en laag waarin precies?
Hoger in abstractieniveau, wellicht. Gemiddeld genomen misschien ook hoger in de maatschappelijke status die eraan wordt toegekend, of in het salaris dat je er na je studie mee verdient. Maar de termen hoog en laag suggereren iets heel anders.
Bij een hiërarchische verdeling van hoog naar laag zou je logischerwijs verwachten dat de hoogste categorie het werk van de categorieën eronder óók moeiteloos kan uitvoeren. De bovenste tree omvat immers de treedjes eronder. Maar klopt dat eigenlijk wel?
Kan een gemiddelde manager het technische, fysieke en praktische werk van de uitvoerend medewerker zo overnemen? Zou een wetenschapper het een hele dag volhouden achter een chaotische kassa met een rij van vijftig ongeduldige klanten? Draait een bibliothecaris op een piekmoment zomaar een topomzet achter een drukke kroegbar? En is een raketgeleerde per definitie een empathische, efficiënte ziekenverzorger aan het bed?
Er is uiteraard niet één antwoord op te geven, maar het antwoord is in elk geval niet per definitie ‘ja’.
Het gevaar van een valse hiërarchie
Deze misvatting is schadelijk voor beide kanten.
Aan de ene kant lopen mensen met een zogenaamde ‘lage’ opleiding hierdoor stelselmatig de maatschappelijke erkenning en waardering mis die ze op basis van hun vakmanschap verdienen. Hun werk wordt weggezet als ‘eenvoudig’, alsof iedereen het zomaar zou kunnen als diegene maar even zijn best doet.
Aan de andere kant ontstaat er een klem voor mensen met een zogenaamde ‘hoge’ opleiding. Van hen wordt stilzwijgend verwacht dat ze de ‘simpele’ taken ook wel even tussendoor doen. Lukt dat niet, of kost dat onredelijk veel energie, dan wordt dat al snel toegeschreven aan laksheid, hoogmoed of luiheid.
Het gaat hier namelijk niet om een kwantitatief verschil (meer of minder intelligentie), maar om een kwalitatief verschil. Het betreft vaardigheden die qua aard totaal van elkaar verschillen en daardoor een heel ander appel doen op het brein en het lichaam.

Kader: De mythe van de ‘simpele’ taak
Ik herinner me nog goed de periodes waarin ik vastliep in werk dat op papier ‘onder mijn niveau’ lag. Omdat ik intellectueel ingewikkelde concepten kon doorgronden, werd er stilzwijgend van uitgegaan dat ik praktische, volgeplande routines wel ‘even’ op de automatische piloot zou draaien.
Niets bleek minder waar. Ik herinner me een rol waarin ik telefoontjes moest aannemen, bezoekers ontvangen en direct logistieke spullen moest meegeven. Vol bewondering keek ik naar mensen die moeiteloos drie dingen tegelijk deden: de telefoon opnemen, een doos aanpakken en een bezoeker vriendelijk te woord staan, om daarna naadloos door te gaan waar ze gebleven waren. Kon ik dat maar. Elke onderbreking voelde voor mij als een mini-crash. Omdat ik alles bewust en diep verwerk, kostte het continue en snelle overschakelen tussen losse, praktische taken me binnen een paar uur al mijn energie. What voor een ander voelde als ‘verstand op nul en gaan’, eiste van mij een continue, uitputtende cognitieve controle.
Ook op school was dit patroon al zichtbaar. Mijn middelbare school heb ik nooit afgemaakt. Het klassieke stampen van woordjes, het reproduceren van jaartallen en het strakke regime van het klaslokaal lagen mij totaal niet; ik liep er volledig op vast. Maar waar ik op de middelbare school struggelde met de basis, bloeide ik op de universiteit op. Daar kon ik de diepte in, verbanden leggen en mijn eigen denkstructuren bouwen — om uiteindelijk cum laude af te studeren.
Dit kwalitatieve verschil wordt pijnlijk voelbaar bij het re-integreren na een burn-out. Re-integratiebureaus en instanties stellen stelselmatig voor om te ‘beginnen met iets simpels’. Maar wat zij simpel noemen — gestructureerd, herhalend of praktisch werk — valt mij juist ontzettend zwaar. Het vereist een specifiek soort belasting waar mijn capaciteit op dat moment heel laag is. Wanneer ik aangeef dat dit werk mij sneller uitput dan een complex inhoudelijk vraagstuk, wordt dat door instanties vaak bestempeld als hoogmoed of luiheid. Men gaat er immers blind van uit dat wie de universiteit heeft afgerond, een mbo-taak met twee vingers in de neus uitvoert. Een kostbare denkfout.
Tijd voor een betere indeling
Als we willen dat zowel praktische opleidingen als theoretische trajecten de waardering krijgen die ze verdienen, moeten we af van de verticale ladder. Het is geen kwestie van ‘hoog’ versus ‘laag’, maar van verschillende denk- en werkstijlen.
We zouden veel beter kunnen spreken over de aard van het werk en de vaardigheden die daarvoor nodig zijn:
- Praktisch-actiegericht versus Theoretisch-conceptueel
- Uitvoerend-ambachtelijk versus Analytisch-abstract
- Contextgebonden (midden in de dynamiek) versus Onafhankelijk-beschouwend
Wanneer we blijven spreken over hoogopgeleid en laagopgeleid, blijven we totaal verschillende vormen van expertise behandelen alsof ze op één meetlat passen. Door het spectrum horizontaal in te richten in plaats van verticaal, erkennen we dat een ervaren vakman en een wetenschapper simpelweg andere gereedschapskisten hanteren. De een is niet de overtreffende trap van de ander.
Pas als we stoppen met het plakken van de labels ‘hoog’ en ‘laag’, ontstaat er ruimte voor echte gelijkwaardigheid — en voor een re-integratie- en onderwijspraktijk die recht doet aan hoe mensen daadwerkelijk bedraad zijn.

Dit is zo herkenbaar en ik deel dit inzicht. Niet iedereen kan alles daar zijn we te verschillend voor. Ieder mens is uniek in zijn kunnen en zijn. Het stelsel is gemaakt voor gelijken maar als we allemaal uniek en verschillend zijn dan is het stelsel verkeerd. Gebruik ieders unieke talent en kijk wat er dan gebeurt. We zullen gelukkiger worden en daardoor zal er een mooiere wereld ontstaan.
Je hebt een heel mooi diep probleem vertaald en zichtbaar gemaakt.
Chapeau.